OBSTIPATIE
Keihard. Niet keigoed, zoals er tegenwoordig door de jeugdigen onder ons de waarde van een ouderwets stevige steen wordt gewaardeerd. Keihard was de ontlasting in de darm van de mannelijke Hollandse Herder. Daar had het dan ook de moed opgegeven ooit nog het daglicht te kunnen aanschouwen. En het is wonderlijk. Je kunt geen halve dag zonder het hoognodig moeten lozen van je overtollige vocht, terwijl een week niet ontlasten nog geen probleem hoeft te zijn. Kwestie van voorraadbeheer en dan met name opslagcapaciteit.
Het volledig verorberen van een mergpijp lag aan dit ongemak ten grondslag. Het zat er, door sterke kiezen vergruisd, als beton in. En vóór we besloten laxeermiddelen in te zetten, wilde ik toch eerst proberen wat ‘beweging’ te krijgen in deze vaste massa. Gewapend met de handschoen en één vinger met overvloedig veel glijmiddel, ging ik ‘vast’besloten aan de gang. Gelukkig was het achterste deel los te peuteren. Een klysma zou de verdere voortzetting wel bevorderen, samen met de drie keer daags door het eten toe te dienen laxeervloeistof. Dit hele medische handelen werd door de herder uiteraard niet met overtuigende vreugde ontvangen, (alleen stank voor dank…) maar hij hield zich kranig. Anders was zelfs een narcose onvermijdelijk, waardoor de hele affaire een wel heel onaangename wending zou krijgen.
Obstipatie, constipatie, vertraagde defecatie of te harde stoelgang: als je niet van je ontlasting af kan komen. De dikke darm is het gedeelte van het maag-darmkanaal waar aan de vloeibare ontlasting die uit je dunne darm wordt geduwd, het overtollige water wordt onttrokken. Om, zeg maar, het restant van je voeding in te dikken, nadat eerder in het kanaal al de nuttige voedingsstoffen reeds in het bloed zijn opgenomen. Het ingedikte materiaal is makkelijker op te slaan en voorkomt dat het plotseling ontsnapt en langs je benen naar beneden loopt… Wel makkelijker maar zeer irriterend voor de huid die er behoorlijk van kan ontsteken.
Obstipatie is een probleem dat zichzelf in de hand werkt. Weet die dikke darm veel, die blijft vocht onttrekken aan haar inhoud, waardoor deze steeds harder en dus minder plooibaar of schuifbaar wordt. Omdat de ‘afgifte’ daardoor vertraagd, blijft het ontwateren van de harder wordende massa doorgaan. Zodat op den duur de zaak muurvast kan komen te zitten. Tot ongenoegen van de vaak al wat oudere kat of hond. De uitdrijfkracht van de oudere darm zwakt met de jaren af. Uiteindelijk gaat het dier braken, om maar van wat inhoud af te komen. Het moet toch ergens heen. Het is een optie die niet is uitgevonden bij verstopping van de urinewegen, waardoor bij dit euvel de dood wèl snel intreedt. Dus beter wat stijver gescheten dan tevergeefs gepiest….
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
9 maart ‘10
Als duidelijk avondmens stap ik in de late uurtjes van een dag meestal fitter in bed dan er uit. Het overvalt me dan ook alweer snel in de nacht wakker te worden, maar dan totaal uitgeput en vooral misselijk. Het rillen en de barstende hoofdpijn komen pas later, na de zich steeds herhalende gang naar het toilet. Leeg, maar met een zetpil tegen de misselijkheid en daardoor het binnenhouden van de maximale dosis paracetamol, start ik mijn werkdag. Wat kan een mens zich slecht voelen.
Als de ochtend om raakt is de praktijk ingespeeld op een zieke dierenarts en neemt een collega mijn plaats in. Twee beddagen dienen zich aan. Hoe erg kan een mens verlangen naar dat bed. Slapen. Alleen dàn heb je weinig erg in je reddeloosheid. Wakker zijn in bed, in een toestand van verval, is overigens ook geen pretje. Leeg. Letterlijk. Spierpijn van de koorts en rugpijn van het liggen. Ademnood door een verstopte neus. Alles bonst. Zelfs denken doet zeer.
Sluimerend loopt de eerste dag ten einde. Als het normaal gesproken tijd wordt om naar bed te gaan, ben ik door mijn voorraad slaap heen. Door de koorts werken mijn hersenen inmiddels op topsnelheid. (De uitspraak is niet voor niets dat hersenen koortsachtig kunnen werken, dit klopt ook. De hogere temperatuur wakkert alle processen als een vuurtje aan. Fijn!) Ik heb pen en papier en schrijf van alles op. Het is te mooi om waar te zijn. Vergaderpunten, columnonderwerpen, actie- en speerpunten voor noodzakelijke veranderingen en oplossingen voor lang vergeten problemen… Geen lampje aan. Maximaal lichtschuw. Ik schrijf in het donker. Ik kan de gedachten nooit meer stoppen. Een tweede slaaptablet maakt, na het falen van de eerste, een einde aan de waterverval van gedachten.
De volgende ochtend. Alles vergeten en net zo beroerd als de vorige dag. De tweede ziektedag breekt aan. Van ritme is niets meer te bekennen. Hoor tussen de slaapjes door aan alle geluiden in huis dat het leven er door gaat. Aan het einde van de middag weer iets vasts gegeten. Volkoren biscuit, beschuitje, cracker… ook weer iets meer dan af en toe een slokje water gedronken, zoals een groentebouillonnetje. Er komt wat rust over me.
De avond valt. Waarom zingen we: ‘Slaap kindje slaap. Daar buiten…. Waarom loopt er buiten uitgerekend een schááp? De drukke schapentijd staat voor de deur, lig ik hier in bed. En waarom zijn die schapen niet helemáál wit? Schapen drinken in ieder geval nooit melk.…
‘Slaap kindje slaap, ik hoor het al, een gaap. Je gaap die klinkt zo zoetjes, je melk komt van de koetjes. Slaap kindje slaap, ik hoor alweer een gaaaap… Zeg nou zelf… Hallo?
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
2 maart 2010
HAGELTEGENSLAG
Als we met onze kinderen bij mijn moeder op bezoek zijn, moet ik denken aan de tijd dat mijn ouders met ons als kinderen een bezoekje brachten aan mijn oma (moederskant) of beppe (vaderszijde). Dezelfde situatie, waarbij de beide opa’s door hun overlijden, niet meer bij hun vrouwen waren, kennen we nu met Jolanda (al heel lang) en mijn moeder. De geschiedenis herhaalt zich onvermoeibaar. Onverstoorbaar zou ik haast zeggen. We hebben ons er maar bij neer te leggen, hoe wreed het ook is.
Van mijn grootouders heb ik mijn beppe het langst gekend. Ze zag uit naar haar bezoek en legde het ook in de watten. Als je voor je contacten afhankelijk bent van je aanloop, kun je moeilijk chagrijnig zijn of klagen. Terwijl je er wel alle reden toe kan hebben. Gelukkig had ze dat niet in zich en dat was de reden dat we haar als kleinkinderen, achterkleinkinderen en zelfs achterachterkleinkinderen bleven bezoeken, ook al waren we zelf ‘al los’ van onze eigen ouders. Ze stierf wel alleen. In haar stoel. Zich nog ten volle bewust van alle details, maar met leden van bijna negenennegentig.
Nog negentien jaar te gaan. Ze moet er niet aan denken. Mijn moeder, eruitziend als een ‘startende zestiger’, wordt tachtig in april. Ze moet er bij wijze van spreken ‘bewijzen’ voor overleggen… De tafel is rijkelijk gedekt, hoewel ze geen plezier heeft in koken voor alleen zichzelf. ‘Geen pest meer aan!’ verklapt ze met een wrange glimlach. Weer de déjà vu, maar dan een generatie verder. We hebben het kleine geluk met elkaar te kunnen blijven lachen. Ook nu weer, als het gesprek komt op verslavingen. Vraag me niet meer hoe.
Dan verklapt mijn moeder ons verslaafd te zijn aan… reuze chocolade hagel. Puur! Elke dag belegd ze er één beschuitje mee. Want ook bij verslavingen geldt: ‘overdaad schaadt’. Ze kocht al verschillende merken, want op zoek naar ‘de lekkerste’, bleken ook bij deze ‘in de marktzetting’, concurrenten maar al te graag te willen volgen.
In de strijd om de consument introduceerde, ooit, marktleider ‘Venz’ de hagelslag die was verrijkt met de inmiddels vermaarde ‘Funnies’. Zoete kleine chocoladeachtige figuurtjes die om de zoveel hagelslagjes het strooipakje verlaten, om vervolgens op je boterham te belanden. Venz nam hiermee niet alleen een voorsprong op haar concurrenten in het heroveren van de belegmarkt, de hagelslag werd ook nog dikker op de ‘ham aangelegd, om maar zoveel mogelijk Funnies het daglicht te laten zien…..
In het Drentse huisje van mijn ouders stond destijds zo’n pak. Onze kinderen, wars van dik beleg… , zochten ze er tijdens het strooien uit, om later het verarmde hagelslagoverschot met een trechtertje terug te laten vloeien in het pak. Mijn moeder uitte later haar klacht…. Bij Venz! Dat er verdraaid weinig van die Funnies uit zo’n pak kwamen! En dat was weer het antwoord op de vraag die wij haar stelden, later, waar de plastic zak met Funnies vandaan kwam, die we bij ons volgende bezoekje aan Drenthe in het keukenkastje aantroffen. We raakten te biecht.
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
23 februari ‘10
Kom net weer binnen gelopen na het voeren van de kippen. Voor de verandering sneeuwt het weer. Sneeuw. Het blijft iets wonderlijks. We hebben er jaren naar uitgezien. De nadelen even naar de achtergrond verschoven. Verkeer en ouderen lijden in stilte.
Ik kan me niet snel een jaar voor de geest halen waarin we zo vaak sneeuw hadden. Het lijkt een geregisseerd komen en gaan. Genietend van de witte wereld, een natuur op haar mooist en dat terwijl je haar haast niet zien kunt. Soms woest wit, soms wit in stilte, haast ongemerkt. Gordijnen in de ochtend open en ja hoor, het ligt er weer.
Vorige week, de temperaturen stegen zowaar weer opvallend boven nul, liep ik weer langs de kippenflat met de bakjes voer. We noemen het een flat. Ik heb hem gebouwd tegen het huis. Een lange loopplank met dwarslatjes voor de nodige voetsteun, op weg naar de eerste etageplank op een hoogte van 1 meter 35. Een klein tweede trapje leidt naar de tweede etage. Deze heeft uiteraard de voorkeur, hoewel je de kipjes iedere dag weer even ziet zuchten aan het einde van een hoop gescharrel in de tuin. ‘Tok. Nu nog op stok.’
Ik keek dan ook even vreemd op, toen ik een egeltje zich tegoed zag doen aan het kippenvoer. Op etage nummer 1. Zich niet storend aan mijn aanwezigheid schoof hij geduldig een maaltijd naar binnen, waarna hij zich het zaagsel als slaapplaats liet welgevallen. Het ritueel herhaalde zich de erop volgende dagen, hoewel we hem regelmatig ook op ‘begaan’ in de tuin konden spotten. De hernieuwd ingezette winter maakte een einde aan dit bijzondere ritueel.
Als de zoveelste gewatteerde deken het voedsel opnieuw onbereikbaar maakt voor menig dier, meerkoeten zich met hun flappenstappers weer akelig dicht bij de doorgaande wegen wagen en de media in de kranten, behalve tuinvoederadviezen ook melding gaan maken van wakhakadviezen om de ijsvogel nog een visvangstkans te geven, loopt ook bij mij de emmer wel wat over. Terwijl het nog maar net half februari is... De rek raakt er uit. Dat is wel duidelijk. Hulp helpt. Mondjesmaat.
Op weg naar huis reed ik vrijdag, vlak buiten Anna Paulowna, bijna over de zoveelste aangereden vogel. In een glimp en op de rem, dacht ik in de vleugelbeweging een teken van leven te herkennen in plaats van de nawind van mijn voorganger. Gestopt, slap maar zonder zichtbare verwondingen van het dampende asfalt geplukt en achterin de VW-bus geladen, weggereden. Vóór mijn auto een kontje zou krijgen en ikzelf de krant zou halen op een onverkwikkelijke manier.
Peinzend achter het stuur. Hoe deze meerkoet waarschijnlijk de zwanenzang van de klap niet zou overleven, hoewel ik de gedachte ook niet los kon laten wat deze flappenstapper van mijn rijstijl vinden zou in al die bochten.
Aangekomen bij de volgende locatie, waar ik naar op weg was. Klep open en aangestaard door een stáánde meerkoet (rijstijl prima…), die meende zich zo snel mogelijk uit de flappenvoeten te moeten maken, weliswaar verder mijn VW-bus in. Maar nogmaals, wel héél snel.
Tussen locatie twee en drie een kudde van die snaveltjes in de polder opgezocht en deze er bij losgelaten. ‘Vliegend’ (wat wil je met zulke poten!), vlotter dan vlot, de wijde wereld weer in. Geluk bij een ongeluk, dacht ik. Twéé rampen in één uur overleefd, dacht hij…
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
16 februari ‘10
Een fel exemplaar, dat was het. Klaar om de strijd met je aan te gaan, ondanks de verwonding die hij had opgelopen. De hengst moest plat op de operatietafel, in eerste instantie niet eens om een einde aan zijn mannelijkheid te maken. Zeg maar, ter ‘reparatie’, vanwege een vervelende snede op zijn onderbeen. En als je dan toch ligt…
Dit soort jongens zijn na castratie niet op slag mak. Daarbij komt dat het ontwaken uit de narcose soms een schokkende ervaring is. En aangezien een paard zichzelf niet graag liggend aantreft, overheerst, zodra die bewustwording doordringt tot zijn of haar hersenen, de onbedwingbare drang om zo rap mogelijk te gaan staan. En dat is dan weer niet altijd zonder gevaar, als je nog enigszins slaapdronken bent en rond de 600 kg weegt.
Liggen is voor een zogenaamd ‘vluchtdier’ een kwetsbare houding. Je valt zomaar ten prooi aan de roofdieren. De explosieve kracht die bij dit soort gespierde dieren vrijkomt, zodra ze snel op willen staan, laat het niet toe dat je er als operatiebegeleider bij kunt blijven staan, om ‘éven’ een handje te helpen. Het kon wel eens een verpletterende ervaring worden. Om het dier tegen zichzelf te beschermen zijn de wanden en de vloer van de uitslaap(recovery)ruimte dik bekleed met stootwerend materiaal. En toch houd je soms je hart vast wanneer er 600 kg omhoog wil komen.
Om nog meer tegemoet te komen aan het veilig en vooral beheerst kunnen opstaan van de paarden, nadat zij van de mobiele operatietafel zijn getakeld, hebben we de zogenaamde ‘assist-recovery’ in het leven geroepen. En ik moet zeggen dat het een geniaal bedacht idee is. De eerste keer dat ik het in werking zag, had het veel weg van een marionet die zo stuurbaar in de draden hangt.
De assist-recovery bestaat met name uit een serie touwen en metalen touwgeleiders. Ze zijn zo in de recovery-ruimte opgehangen, dat we in staat zijn om het liggende dier aan een daarvoor speciaal halster nog even aan de grond te houden. De gassen van de gasnarcose die het dier in slaap hielden, verdwijnen na loskoppeling van de in de luchtpijp aangebrachte adembuis, per ademhaling uit het verdoofde lichaam. Dat gaat redelijk vlot. In de ‘dronken’ fase, tussen het net ontwaken en weer redelijk helder zijn, blijft het dier aan de grond gekluisterd. Zodra het verantwoord is, begeleiden we het dier met een andere set touwen, via hetzelfde halster en met behulp van een manchet aan de staart, rustig omhoog. Gesteund en wel, zodat bij het alsnog verliezen van het evenwicht, het dier niet weer aan de grond raakt.
Dit ingenieuze systeem is buiten de verkoeverruimte te bedienen. Zodat mens en dier, veilig gescheiden van elkaar door een zachte stootwand, dit hoogstandje kunnen uithalen.
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
9 februari 2010
Als ik achter mijn gezin aansukkel, dwars door alle straten van de stad, denk ik aan de woorden ‘zwalken’ en ‘sjouwen’. ‘Dwalen.’ Of ‘slepen’. Het kopen van kleren is voor mij een straf. Ik weet niet waarom dat is. Een ander in de kleren steken is al net zo’n ramp als kleding kopen voor mijzelf. Ik kan er blijkbaar geen geduld voor opbrengen en al gauw voel ik al mijn gewrichten en spieren protesteren.
Van ellende zijg ik maar neer op een eenzame stoel, waar je op mag gaan zitten als de ander in een pashokje duikt. Of hang ik op een onveredelde kruk, waarnaast de reusachtige kasten met te passen schoenen verrijzen als onneembare vestingen. Hoe meer keuze, hoe ellendiger ik me voel. Althans, als anderen de ‘al of niet’ beslissing moeten nemen. Zelf ben ik meer een type van ‘Veni Vidi Aanschaffi’. Ik koop op gevoel. Als ik in een winkel rondkijk, klinkt het in mijn hoofd duidelijk en snel… nee.. néé.. nè.. nééé... ja! Klaar. Althans, als de maat een beetje overeenkomt met mijn model. Koop gelijk meerdere stuks, want zo snel verandert mijn ‘smaak’ niet. Ik moet me er goed bij, in, onder, op, voelen en anders maar niet.
Ik ben niet vlug blij, als het gaat om kleding. In een goed gesorteerde winkel slaag ik niet per definitie met gemak. Wel snel niet! Mijn geluk is dat ik snel beslissen kan, zonder later spijt te hebben. Maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat ik zelden kleren voor mijzelf koop. Dat liet ik vroeger al mijn moeder doen en later door Jolanda. Mijn smaak is redelijk duidelijk en ik raak makkelijk verknocht aan hetzelfde soort kleding. Zo ging mijn moeder zo nu en dan naar ‘Van Ooy’ op de Breestraat in Leiden. Haalde er een spijkerbroek (géén blauw!) van Levi Strauss en ik was weer voor lange tijd tevreden. Ideale pasvorm. Stevig voor langdurig gebruik, ook voor rauwdouwers zoals ik was.
Op mijn negentiende ging ik zowaar een keertje met haar mee. Want met Jolanda en vier vrienden zouden we gaan ‘interrailen’. Eindbestemming van dit onbeperkt treinen voor een maand (Europa): de kust van Griekenland. (Peloponnesos.) Ik verbeeldde me daar op een zwoele heldere avond onder de sterren op het strand te liggen, kabbelende zee en Jolan er uiteraard naast. Zelf in een luchtig shirtje en een… witte spijkerbroek! Ik had er zo mijn zinnen opgezet, dat ik die ene maat te klein voor lief nam.
Ik sjouwde hem netjes opgevouwen een maand lang in mijn rugzak mee, bereikte er precies zoals voorspeld mijn doel en goed gevoel mee, maar kon hem later nooit meer aan.
Bij het afstaan van de oude kleding voor een beter doel dan zolder, overleefde hij de selectie met gemak, veilig overwinterend in de verkleeddoos voor de kinderen.
Marina heeft hem ooit wel eens gedragen, Timone paste hem daarna uitstekend en op het feestje van mijn zus haar 50e verjaardag, was het een uitkomst voor Jilian. Black en white was de kledingscode en omdat ze een witte rok te riskant vond wat betreft het weer, was ze nu de prinses in de witte spijkerbroek. Wel weer wat te krap, maar met zijn zevenentwintig jaar als nieuw!
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
2 februari ‘10
NETEN
Wat is er eerder weg, de luis of het ei? Het antwoord is duidelijk. De luis.
De eerste vraag die ze stelden, dit stel met een mooi diepzwart puppy van acht weken oud, was of ik wist wat al die witte puntjes in de vacht van Tippie waren. Vooral op de achterkant zag het er wit van. Luizeneitjes. Eén per haar, liefst een beetje aan het uiteinde. Ook wel neten genoemd. En er zijn ook luizensoorten die meerdere eitjes op één haar afzetten. Kwestie van erfelijke voorkeur, maar dat terzijde.
We noemen zoiets een nestbesmetting. Niet zo’n moeilijke conclusie, ze hadden het jonge hondje nog maar twee dagen in bezit. Verder spittend werd duidelijk dat de neten leeg waren. En levende luizen konden we niet meer vinden. Waarschijnlijk had de verkoper er, terecht, al het een en ander aan gedaan. ‘Waarom hebben ze daar niet de moeite genomen om dan ook gelijk die neten te verwijderen!?’
Het ongedaan maken van een besmetting met luizen is goed te doen. Met het juiste middel op de juiste plaats. Het insect leeft op de huid van hond of kat of… maar iedere diersoort (gastheer) heeft gelukkig zijn eigen luizensoort, dus we hoeven niet bang te zijn voor een overstapje. (Haar gezicht ontspande opvallend.) Buiten de bescherming van de gastheer is er geen (over)leven voor ze mogelijk. Dit in tegenstelling tot de vlo. Er loopt zelfs en groot deel van de cyclus van de vlo buiten de gastheer om. Negentig % van de vlooienpopulatie zit in uw huis, slechts tien % zit op het dier. (Haar gezicht spant zomaar weer aan.) De vlo laat haar eitjes uit de vacht vallen, waar ze op de grond uitkomen en als rupsjes door het tapijt kruipen (we hebben geen tapijt!… geloof me, dat interesseert een vlolarf geen zier…). Daar eten ze van de ontlasting van de volwassen vlooien (gedroogd bloed, vandaar de roodbruine kleur), waarna het zogenaamde popstadium vrolijk wekenlang, zo niet maanden tot zelfs twee jaar, in een vastgelijmde cocon op zijn beurt wacht. (De spanning stijgt.) Eenmaal uit de cocon ontpopt, zoekt het snel uw huisdier weer op. Vernieuwd en klaar voor de aanval. Wie heeft er na zolang wachten geen honger? En bij gebrek aan een hond…. (Kan een gezicht zoveel spanning aan?)
De luis doet het veel simpeler. Moeders legt een ei, vastgekit aan een haar. De neet van een luis heeft op de top zelfs een klepje, dat openslaat als de luis er rijp voor is. Van alle gemakken voorzien. De nieuwe luis kruipt er uit en reproduceert zelf weer na een week. Het lege ei blijft zitten, tot de haar uitvalt. Aan de lijm van luizen mankeert niets. Hooguit met een luizenkam en oneindig veel geduld, kun je de hoesjes er proberen uit te kammen. (Dat zag ze wel zitten.) Liever geen ei en geen lege dop!
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
19 januari 2010
Hoewel de titel aan lijkt te geven dat dit een stukje is over een beenverwarmer (maillot), ligt de waarheid er ver vandaan. En toch ook weer helemaal niet. Ik zal het verduidelijken.
Jolanda las onlangs een boek van de schrijfster Yvonne Keuls. De titel van dit boek luidt: ‘Mevrouw mijn moeder.’ Het beschrijft het levensverhaal van Yvonne haar moeder. Ik citeer een stukje van pagina 36 waarin Yvonne een briefje van haar moeder aan de pianoleraar voorleest: “16 december 1944. Mijn dochter heeft niet kunnen studeren want de kamer was te koud, de Majokachel gaat alleen aan om wat te koken en de piano is daardoor teveel ontstemd. Neemt u het haar niet kwalijk.”
Om de zoveel tijd, in boeken over de oorlog of als vraag in een tijdschrift, duikt het ‘Majokacheltje’ weer op. Het is in de Tweede Wereldoorlog ontworpen om zowel wat warmte te geven als ook om op te koken. Als brandstof verbruikte het bijvoorbeeld houtsnippertjes, met andere woorden: stukjes brandbaar afval. Ook werden er wel stukjes asfalt voor ‘verzameld’. In de oorlog was er uiteraard een gebrek aan brandstof, dus de mogelijkheid om op een zeer zuinige manier te koken was heel welkom.
Dit Majokacheltje bestond uit een soort dubbelwandig buisvormig blik, met als voordeel dat je het op de potkachel plaatsen kon. De trek van de potkachelafvoer werd op deze manier benut voor het afzuigen van de rookgassen. Bovenop was het kacheltje opengewerkt, daar kon je de pan op zetten. Aan de buitenkant zat een handvat, om het geheel te kunnen verplaatsen en onderaan was er aan de zijkant een kleine opening. Dit was het kleine stookgaatje, waar de snippers naar binnen konden worden geschoven. De opzetkachel bleek op deze manier een heel goed rendement te hebben en werd roodgloeiend.
Het werd ontwikkeld door de grootvader van Jolanda (van Johanna…), die er ook de naam aan gaf. Haar grootmoeder heette MArie en haar grootvader heette JOhan. Vandaar de naam MAJOkacheltje. Johan werkte in die tijd bij een ijzerwaren- en gereedschaphandel in Rotterdam. In zijn eigen huis probeerde hij zijn door de smid uitgevoerde ontwerpen uit, en liet de aanpassingen eraan steeds weer uitwerken. Eens het een volwaardig en goed functionerend product was, liet hij ze in veelvoud maken, zodat men met weinig brandstof, toch nog thuis iets om op te koken en gelijk ook iets van warmte had.
Het werd een zeer gewild product en dat verklaart dat je zo nu en dan in de literatuur en in de opgeschreven herinneringen, iets over dit kacheltje leest. Bijvoorbeeld dat de mensen hun best deden om op allerlei inventieve manieren (de voetbalvereniging ADO Den Haag zag er al zijn zitbanken van de tribunes in verdwijnen) wat van het schaarse hout bijeen te sprokkelen en klein te maken. Voor hun Majokacheltje.
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
12 januari 2010
Na ruim vijfentwintig jaar trouwe dienst is onze middenmaat aluminium huishoudtrap zo goed als af. De duw met de bumper van de auto (knikje…), ooit, het verliezen van een dop onder de poten en verschillende treden die hier en daar doorbuigen, de uitrekking van de draaipunten…. Het doet hem allemaal geen goed.
We hebben er heel wat uren op doorgebracht. Het altijd weer schilderen van het huis, zowel van binnen als van buiten (een trap of ladder voor elk niveau), waardoor de verfsporen van alle jaren letterlijk op zijn lijf geschreven staan. Ramen zemen, gordijnen en hun rails ophangen, fruit plukken in het najaar, snoeien van de bomen in de winter. Het doet bijna zeer om er afscheid van te nemen. Vergane glorie van een kunstig gevormd stuk aluminium. Het krijgt een trap na.
‘Haal maar een nieuwe.’ En inderdaad, tegenwoordig koop je zo een nieuwe. Goed en niet duur. Omgerekend op jaarbasis is voor ruim een euro per jaar de sky weer de limit. Toch is er een duidelijk verschil met de aankoop van onze eerste trap. Namelijk de…. bijsluiter. Oftewel, zoals een ander mens dat zou noemen, de gebruiksaanwijzing.
Je zou denken, een trap…, ‘lees voor het gebruik deze gebruiksaanwijzing goed door’ en, nota bene, ‘bewáár deze ook om later na te kunnen lezen!’ Je komt er toch niet op? Maar liefst vijfenveertig(!) punten waar je op moet letten. Variërend van je navel houden tussen de stijlen van de trap, tot het vrijhouden van natte verf (nooit goed gedaan, dus nu hier en daar een spatje, omdat ik op zo’n moment liever mijn aandacht wat meer bij het verven hield…). Niet bij windkracht 6 of hoger bestijgen. (Binnen toch wel?) Fruit valt bij die wind vanzelf ‘to earth’, takken komen ook spontaan naar beneden, verven geen optie en ramen zemen…. Alleen gebruiken voor licht(?) werk en voor korte duur (ook nooit goed gedaan dus). Niet meer dan één persoon erop. (Het is dus geen gezinstrap?) Niet gebruiken als toegangsmiddel tot een hoger niveau. (Had ik hem niet hoeven kopen!) Sluit ramen en deuren in de directe omgeving (zodat men u niet hoeft te horen schreeuwen na de val). Controleer regelmatig of de voetjes niet zijn versleten. (Ze bedoelen natuurlijk of de voetjes wèl zijn versleten.)
Het wordt steeds gekker: gebruik een trap niet achterstevoren of ondersteboven. Beklim een enkel oploopbare trap maar aan één kant. En dan staat er: ‘de oploopbare kant is herkenbaar aan de horizontale treden’. Even dacht ik nog, dat ik het verkeerde artikel in huis had, omdat die van mij alleen maar verticale treden had. Maar ik kwam er even later achter dat het ding nog op z’n zij lag…
Haast onbegrijpelijk is de verordening: ‘trappen moeten altijd rusten op hun voeten en niet op hun treden’. Wie moet er hier na gedane arbeid rusten, de trap of ik! Het ontbreekt er nog aan dat er staat dat trappen niet met voeten mogen worden getreden!
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
5 januari 2010
AANDACHT
Wat houdt het in als we elkaar Gelukkig Nieuwjaar wensen? Met een kaartje, SMS, mail of van mens tot mens? Het antwoord is: Traditie. Met een hoofdletter T. Waarbij het meegenomen is, dat we weer even aan elkaar denken. Want daar ga ik dan gemakshalve maar even vanuit. ‘Wenselijkheid.’ Wat nou niet één twee drie blijkt, uit een ontvangen kaartje waar zowel op de envelop een mooie adressticker prijkt, alsook een sticker op de kaart, met daarop de namen van de afzenders. Gevaarlijk onderwerp, sowieso.
Zijn ‘geschreven’ kaarten liefdevoller bedoeld? Hoe zit dat dan met die alleraardigste foto’s in veelvoud, waarop behalve de meegeprinte na(a)m(en) van de verzender(s), veelal een openhartig kijkje in het leven is afgebeeld, een prachtige wintertafereel (met fantastisch huisdier in de hoofdrol) of een in het afgelopen jaar beleefd hoogtepunt? Ik vind ze altijd erg leuk, hoewel je ook daar iets van massacommunicatie in kunt zien.
En dan heb je natuurlijk nog het ‘verloren zoon’ effect. In analogie met de thuisblijvende hardwerkende Bijbelse zoon, waar geen opvallende waardering voor wordt uitgesproken en daarnaast de schlemiel die huis en haard verliet voor verrijking van eigen inzicht. Hij wordt na lange tijd liefdevol en vooral feestelijk onthaald bij thuiskomst. Waarschijnlijk best terecht. Maar bitter voor de altijd trouw gebleven thuisblijver die nooit uitbundig in het zonnetje werd gezet. Zo lijkt het ook wel eens te gaan met de trouwe schrijver versus de personage die na vele jaren weer van zich laat horen. ‘Oh, wat leuk. We zullen gelijk even bellen voor een afspraak om elkaar te ontmoeten. Dat ze ‘weer’ aan ons hebben gedacht….’
‘Gelukkig Nieuwjaar!’ Zou het helpen? Ik denk dat er iets meer mag gebeuren, dan het schrijven en versturen en het al of niet ophangen van al die vrolijke kaartjes. Even denken aan de geadresseerde bij het schrijven ervan. Even denken aan de afzender bij het lezen ervan. Niet beleefdheidshalve, maar vanuit het hart.
Hoe schrijven ze over de grens? In het Engels: ‘Happy New Year’. Klinkt in ieder geval heel anders. Heeft veel meer iets van ‘blij’. Het klinkt ook minder zwaar, minder verplichtend. Vrij-blij-vender. Frans: ‘Bonne année’. Kort en krachtig, zelfs iets hard voor zo’n zoete taal. Spaans: ‘Prospero Año Nuevo’. ‘Voorspoedig’: wat gejaagder, ‘met iets voor spoed…’ Duits: ‘Ein glückliches Neues Jahr!’ Hm. Het wordt er niet korter of duidelijker op, dus we stoppen ermee.
Het is al lastig genoeg om een serieus beeld te schetsen van de manier waarop Nederlanders, als traditie, elkaar jaarlijks kaartjes blijven schrijven, met de wens op een Gelukkig Nieuwjaar.
Een kaartje, als ‘aandenken’. Omdat ik ‘aan’ je ‘dacht’. Dat vind ik mooi. Aandacht. Voor elkaar. Daar gaat het uiteindelijk om. Dat moet ook wel het hele jaar door, maar blijkbaar hebben we een jaarlijks geheugensteuntje nodig. Als aanzet voor een nieuw te starten periode, vol genegen aandacht voor elkaars plussen en minnen.
Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
29 december 2009