DRIE BRUSJES
 
Als ik de meest ‘legse’ kip helaas wat langer dan normaal in een van de legbakjes zie zitten, weet ik wat er de komende dagen gaat gebeuren. De broedsheid slaat toe. Weg leg. En als ze er na twee dagen inderdaad nog op zit, haal ik vier eitjes uit de keuken. Uiteraard de laatst gelegde exemplaren, hoewel dat niet echt hoeft. Zolang een vogel niet is begonnen met broeden, blijven de eieren geruime tijd goed, als het gaat om de vruchtbaarheid ervan. (Mits er uiteraard een actieve haan van zich heeft doen gelden.)

Vier. Weloverwogen. Het is nog een jonge hen, niet al te breed. Meer had gekund, maar ik wilde het risico op eieren die af en toe niet bedekt zouden zijn zo klein mogelijk houden. Hoe goed ze het als moeder zou gaan doen, hield me zo nu en dan bezig. Tijd zat om over te brainstormen. Rond de eenentwintig dagen.

Het viel me in de afgelopen weken alles mee. Ze bleef keurig op de eieren broeden, slechts één keer per dag een lunch met dorstlesser en een zandbad inpassend. We kunnen het nooit laten om wat rond het nest te voeren, maar erg ‘eetzaam’ zijn de ‘broedsters’ nooit. De dames zijn als in een soort van trans. Trouw en beschermend. En haalde het niet in je hoofd om haar even op te tillen, ze pikte stevig van zich af, hoe lief en makkelijk ze voorheen ook was. Hormonen….

Toen ik gisteren, op de twintigste dag, langs haar liep, voorvoelde ik te moeten kijken. Even de dame opgelicht zogezegd. Samen met dochter Jilian staarde ik in de vier oogjes van twee bolletjes kuiken. Fris en monter, wat we van ei drie nog niet echt konden zeggen. Het ei piepte en vertoonde tegelijk een piepklein gaatje. Met meer toegesnelde cameradragers van de familie heb ik het derde kuiken uit de schaal gepeuterd. Onvoorstelbaar hoe er uit een dooier zo’n leuk ding kan groeien. Onvoorstelbaar hoe het, helemaal compleet, zo ontzettend opgevouwen kan zitten in een dergelijk klein omhulsel. Maar het leefde en onder moeders veren werd het al snel net zo een ‘hopsig’ ding als ‘de brusjes’. Want tja, over het geslacht is nog niet veel te ontdekken. De Engelsen spreken van ‘siblings’ (nestgenoten).

Ei vier was in de ontwikkeling gestopt, het bevatte een dood vruchtje van ongeveer een centimeter. Drie van de vier uitgekipt, zoals de Zuiderburen het noemen. Later op de dag hebben we het nestbakje in het gras ingegraven en de grote ren er overheen gezet. We hebben lieve katten, maar zerorisicobeleid is hier op z’n plek. Morgen. Morgen verlaat ze het nest pas om met de kuikens te gaan scharrelen. De komende vierentwintig uren teren ze nog op dooierrestanten in het daarvoor bedoelde dooierzakje.

De taal. Vandaag op slag heel anders. Het dreigende geluid is als donderslag bij heldere hemel veranderd in zachte snelopeenvolgende tokjes, waarbij eetbare korreltjes liefdevol worden aangewezen of zelfs worden aangegeven. Het jonge spul is na één dag al helemaal ‘kips’ en vooral ook net zo egocentrisch. Kipjes delen niet mèt elkaar, hooguit èlkaar. De haan uitgezonderd. Die komt ook nu regelmatig een tijdje voor het gaas staan staren, net als wij. Genietend van het jonge spul. Goed gedhaan!

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
27 juli 2010




OUDERDOM

 
 Dat je ouder dom bent klopt niet. Jonger slim ook niet. Het kan allebei wel, maar het is over het algemeen gebruikelijker, dat we ervan uit gaan, dat de wijsheid juist met de jaren kòmt en niet gáát.

Ouder slimmer. Evenwel tot het moment dat de aftakeling niet alleen onze lichamelijke pijlers gaat ondermijnen, maar ook de geestelijke vermogens een knauw gaat geven. Of je dan dommer wordt weet ik niet. Ik ben er wel eens bang voor, dat op een kwade dag niet zozeer het besèf van leven is verdwenen, als wel het vermogen om er uiting aan te geven… Dementeren bij vol bewustzijn! Gevangen in een onvermogend lijf. Ik zie eenieder al aan mijn bed voorbijtrekken. ‘Niet te veel over hem praten. Misschien hoort hij je nog…’

 Als dieren ouder worden, en dat worden ze steeds ‘meer’ en vaker, dan gaan ook al de aftakelingen de revue passeren. Geestelijke en lichamelijke ‘gewoontes’ verdwijnen beetje bij beetje. Tot op het moment, dat van een dierwaardig leven geen sprake meer is. Lijkt logisch. Wat doe je als juist jouw lieftallige kat niet meer op je schoot kan springen. Eigenlijk niet eens fatsoenlijk lopen kan. Maar nog wel eet? Je wandelvriend niet meer wandelen kan? Niet eens meer uit zichzelf overeind kan komen? Zeggen dat hij daar altijd al wel wat moeite mee had? Wieltjes geven? De incontinentie voor lief nemen onder het melden van de verklaring dat je ‘af en toe’ schoonmaken nooit erg vond? Voorbijgaan aan de zindelijkheidsgevoelens van je dier? Vaak trekken we op het ongeveer juiste moment de juiste conclusies wel. Vooral als het ons eigen huisdier betreft. (Over die van de buren oordeelt men over het algemeen iets meer ontspannen…)

Op het spreekuur komt een bewogen weldenkend man met zijn hondje. Het verzoek om een advies te geven over de toekomstverwachting van het dier was min of meer het doel van zijn bezoek aan mij. Om kort te gaan: het dier at, dronk en stond uit zichzelf. Bij meenemen aan de riem liep het mee, stopte op commando via een halt aan de riem. Ontlastte zich zo nu en dan, schijnbaar toevallig nooit in huis en... verder niets meer uit zichzelf. Heel basaal, bijna robotachtig.

De tweestrijd in een eigenaar liegt er soms niet om. De waarde van het leven voor je dier en de wil tot het behoud ervan. Ik geef het je te doen.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
20 juli 2010




JEUGDST

 
Mijn vroegste herinneringen gaan niet verder terug dan de periode waarin mijn moeder mij op de eerste schooldag afzet in de kleuterschool, zelf nog wat draalt en mij dan overlaat aan het gezag van de juf. Een leuk mens waar ik uiteraard snel verliefd op raak… Juf Gijzenij. Ze trouwt niet veel later met haar vriend en wordt dan opeens ‘juf van Garderen’ genoemd. Allemaal heel vreemd.

Ik zie, als ware het een oud filmpje, de gang van het schoolgebouw met verbazingwekkend veel kapstokhaakjes. De deur naar het klaslokaal rechts, waar ik niet moet zijn omdat dit de zogenaamde parallelklas huisvest. De juf daar heeft zwart haar. Alles wat is blijven hangen van mijn eerste dag. Niet eens de ingang van het klaslokaal links, hoewel ik daar twee jaar van mijn leventje sleet.

Natuurlijk weet ik van het spelen met de buurtkinderen in die tijd. Onder andere in de achtertuin bij mijn ouders. Zomers in een blauw plastic waterbadje en wat winterse beelden met een heel gezin van sneeuwpopjes, van groot naar klein. De buurtkinderen waren rond die zelfde leeftijd, maar het ontbreekt me aan een anker in de tijd om dat exact te plaatsen. Er zijn foto’s van. Foto’s helpen je geheugen een handje, maar lichten er ook een voetje mee. Wat is nog zuiver van jezelf?

Naar school kon ik lopen. Met je fietsje mocht niet, als je op een korte afstand woonde. Anderen wel. Ik vond het niet eerlijk, weet ik nog. Langs de lange en brede sloot die voor het schooltje lag, beleefde ik mijn eerste ontmoetingen met alles wat er leeft in en om het water. Het vinden van een kikker en het vangen van een iets te trage eend, ik voelde me er als een vis in het water. Het rapportje van de kleuterschool, gemaakt door juf zelf, bewaar ik nu als een relikwie op zolder in een doos met jeugdherinneringen. Het vermeldt apart voor mij de rubriek ‘dieren zoeken’ met een tien als cijfer. Waarschijnlijk het begin van mijn carrière…

Sinterklaasviering in de klas met ‘klaas’. En natuurlijk vast wat Pieten, maar dat weet ik niet. Het heeft een onuitwisbare indruk achtergelaten, want anders was ik het al lang vergeten. Net zoals het spelen op het plein, onder de reusachtige beuk. De haag erachter doorsluipen, over het draadgazen hekwerk klauteren en je stond achter de imposante gereformeerde kerk. Spannend.

Links naast ons stond de voor jou toekomstige ‘grote’ school, waar je vanaf het pleintje naar op keek. En aan de andere kant liep werkelijk op steenworp afstand nog de A7, die binnenkort in de grond verdwijnt. Dat wordt er hoog tijd voor, hoewel het geluid door die paar auto’s in die tijd wel zuinig zal zijn geweest. Net als nu met mijn ‘jeugdst’herinneringen…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
13 juli 2010




GROEI

 Elf centimeter. Op het geheel lijkt het niet eens veel, maar elf centimeter lengtegroei in slechts één etmaal lijkt een hele prestatie. Niet voor een druivenrank. Ik keek er al veel vaker naar, maar altijd zonder meetlat, in de hoop de groei te zien. Maar dat lukt natuurlijk niet. Zelfs al zou je er de hele dag naar kijken, gaat groei voor onze visuele waarneming al snel te traag.
  Ik spreek het hondje Anja tijdens het spreekuur af, voor volgende week. ‘Operatief verwijderen van een bult.’ De zwelling onder de rechter oksel zag er niet alleen verdacht uit, maar was ook in korte tijd opgekomen. Het voelde vol aan, niet zoals een cyste die zich snel vult met vocht. Ook dat is groei, maar in onze beleving wat logischer te volgen. Acceptabeler. Wel zat dit geheel mooi los. Er was aan de achterkant van de bult goed te voelen dat er spoed achter de groei werd gezet, aangezien er een ‘kabel’ van een bloedvat naar toe liep. Soms groeien gezwellen, alsof het leven er vanaf hangt.
 Als we slechts vijf dagen later het geheel opnieuw bewonderen, is de dochter van het gezin, ze fungeert als chauffeur, ongerust. Ze heeft het idee dat de tumor bijna is verdubbeld in grootte, hetgeen we bevestigen. ‘Minstens,’ denk ik, zonder het uit te spreken. Dat zou ook niks toevoegen. De tumor zit nog steeds vrolijk los en we kunnen het breed rondom verwijderen. Ruimte zat, ook al is Anja geen grote hond.
De operatie verloopt verder voorspoedig en met een ‘mooie’ rij hechtingen verlaat Anja, nog een beetje slingerend, het pand. We sturen voor de zekerheid de tumor in zijn geheel op, voor een pathologisch onderzoek. Niet zozeer om te weten of alles is verwijderd. De tumor was vanaf het begin af aan mooi duidelijk omlijnd, wat niet wijst op kwaadaardigheid. Maar de snelle groei ervan was toch dermate verontrustend, dat we willen weten wat er zo’n haast heeft om volwassen te worden. Volwassen. Het impliceert vaak ook een einde aan de vermenigvuldiging van cellen. Helaas. Tumoren zijn altijd jong, hebben het eeuwige leven in zich verankerd, maar wij als gastheer niet.
 De uitslag is ‘mesenchymale tumor met benigne karakter, snijranden vrij’. Oftewel ‘goedaardig bindweefselgezwel, volledig verwijderd’. Bij het uithalen van de hechtingen was er de vraag, hoe iets zo ontzettend snel kan groeien. Als eerste schiet de druivenrank me te binnen. Hoewel die het ruim laat afweten tegen de ranken van een kiwi. Of wat te denken van de groei van de courgette. Maar wie weet dat, wie weet hoe snel dié dingen groeien. Daar kun je werkelijk bij gaan staan met je mes. In de ochtend nog net niet groot genoeg, in de avond aan de maat. Drie dagen niet gekeken en volledig doorgeschoten!
Ik kies voor het voorbeeld van een reuzenpompoen. In één groeiseizoen van enkele maanden. Als het tegenzit, zijn we kansloos!

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
 6 juli 2010




HAAN(TJESGEDRAG)
 
De haan is dood, leve de haan. In analogie met de koning. Hoewel die waarschijnlijk ook wel eens sneuvelde op het slagveld. Onze haan niet. Oud en blind. Eigenlijk al heel lang, maar elke dag zette ik hem nog, vanaf de diepe plank in zijn nachtverblijf, op de veilige grond. Om in de avond het omgekeerde te doen. Hij was het ondertussen gewend om gepakt te worden, hoewel hij zich er de eerste maanden nog tegen heeft verzet. Domme haan. Hij snapte het niet. Net zoals ik een jaar lang hoopte dat hij in de ochtend op het voorste randje van de aardig hoge plank zou zitten, de ‘lift’ voorbereidend. Maar het tegendeel was waar. De bezem stond er voor klaar, om hem zachtjes te haken en zodoende naar voren te manoeuvreren.

Maar het was mooi geweest. Het leven eiste zijn tol en de dood was al lang genoeg geduldig geweest. De zwartbont geparelde kleurstelling van de Wyandotte kriel, zoals het officieel heet, kent nog maar enkele kwekers. Het is een lastige kleur om hoogwaardig in stand te houden. We raakten er zelfs voor naar de provincie Friesland, maar daar zouden we toch al naar toe.

Honderden leken er om de boerderij te lopen. Ónze kipjes, maar dan van een ander. Een heel aparte ervaring, want we hadden ze nog nooit bij een ander zo in het ‘wild’ gezien! Aangezien ons bestandje, mede door de blindheid van de oude haan die nog wel kukelde, maar de dames niet meer zag zitten, inmiddels was uitgedund, kwamen we thuis met een welgestelde heer in gezelschap van vier extra dames. De twee thuisdames moesten wel even wennen aan al deze snelle jonge dingen. Wij ook. Tjonge, hoe gemakkelijk raak je gewend aan een ouder en wat bezadigder stel kipjes.

 Deze haan is er weer als de kippen bij, als het gaat om de dames. De twee oudjes hebben er volgens mij spierpijn van. Maar hoewel ze samen nog regelmatig hun snor drukken om de drukte wat te mijden, is het toch weer een nieuwe toom geworden. De pikorde is snel hersteld en de nieuwelingen hadden vlot in de gaten dat onze ‘wilde’ tuin dan wel geen boerderijtuin is, maar een leuk alternatief.

En als in de avond de hele bende de trapplank bestijgt, voor het keukenraam langs, op weg naar het nachtverblijf, voelen we ons weer helemaal gelukkig. Vooral als we zien dat de jonge dames, hoog in rangorde, de bovenste van de twee planken bezetten en de haan bij de twee oudjes op de onderste plank gaat zitten. Hij is goed. Voor al zijn dames. Zonder uitzondering. Heel (h)aandoenlijk om te zien…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
22 juni 2010




DROMEN

 
 Dromen bedrog? Velen zullen dat bevestigen. Sommigen hechten een waarschuwende of voorspellende waarde aan dromen. Ben ik even blij dat daar bij mij niets van terecht gekomen is! Over het algemeen waren mijn nachtmerries geen stof om leuk bij weg te doezelen. Men verklaart dromen als een verwerkingsproces. De hersenen reorganiseren opgedane indrukken. Flarden ervan worden dan als droom ervaren? Noem het maar organiseren. Lekkere bende.

 Ik kan me er nog wel een paar herinneren. Een weerkerend exemplaar was de achtervolgingswaanzin die ik als klein kind in dromen aantrof. Er zat van alles en iedereen achter mij aan, het bereikte me wonderwel nooit. Veelal op glibberige ondergronden. Door de smalste buizen en tunnels. Ondanks het feit dat ik daar onbedaarlijk flink mijn best voor deed, kon ik niet goed weg komen. Een beetje vergelijkbaar met wat je als stripfiguur in een strip overkomt, als je al zesenzestig keer je benen in renbeweging hebt gezet, maar je bevindt je nog steeds op dezelfde plaats! Hoe hopeloos. Om hulp roepen hielp niet, want het geluid stond op “OFF”. Als ik daar nu over nadenk, is dat bij al mijn dromen. Teksten worden gedacht. De zogenaamde ‘stomme’ droom. Hoewel ik mijn kinderen in hun dromen hele teksten heb horen voordragen, zonder er een snars van te snappen.

 De meest stomme droom die ik als kind had, ging over een enorm behangboek. Dik gevuld met grote voorbeeldvellen van behang in alle kleuren en motieven die je maar kan bedenken. Ik kreeg het cadeau van de buurman die bij Sikkens werkte. Het zal ongetwijfeld een afgeschreven exemplaar zijn geweest, maar ik was er ontzettend blij mee. Vraag me niet waarom. Zeker niet achteraf…

Ik vulde mijn nachten regelmatig met de droom waarin ik het vel na vel moest volschrijven. Om de zoveel tijd werd ik er weer zwetend van wakker. Oneindig veel bladen. Hele kleine letters. Het boek werd groter en groter, zodat ik er zelfs op moest zitten om bij de bovenkant van een vel te komen. Was het omdat ik op de basisschool moeite had met mooi schrijven? (Het heeft niet geholpen…) Of zo vaak op de gang stond, dat strafwerk, in de vorm van stukken tekst overschrijven, mij niet vreemd was.

Van onze kinderen had Marina, in haar jongste jaren, de ergste dromen. Klassieke nachtmerries, hoewel ze ze nooit kon navertellen. Het vervelende was dat ze zich op zo’n moment hevig tegen ‘iets’ verzette, onder luide ‘nee’-uitingen. Echter niet zomaar te wekken was. Op schoot knuffelend, rust inpratend of wat op duidelijker toon proberen wakker te krijgen. Of zelfs eens onder een verkoelende douche (wie niet waagt, die niet wint). Het maakte niet uit, ze was niet rustig te krijgen. Iedere keer als je dacht dat ze weer bij de wekker was en ook inderdaad weer zinnig begon te praten, viel ze zo weer terug in haar droomtoestand. Het was met recht tragikomisch. Meelijwekkend.

Bij uiteindelijk ontwaken kwam bij haar het ongeloof. Als bewijs heb ik het eens op video gezet. Heel apart….

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
15 juni 2010




(ST)ERVEN

 
 Iedere cel in ons lichaam heeft een ouderdomslimiet geërfd. Het ligt verankerd in het DNA, ons aller erfelijke materiaal. Iedere cel is op het moment van zijn ‘geboorte’ geprogrammeerd en weet zodoende wanneer hij uiterlijk zal sterven. Het verschijnsel ‘veroudering’ is niets anders dan het uiterlijk vertoon naar de voltooiing van deze ongeschreven belofte.

 Cellen kunnen delen en zo voorzien in de behoefte van nieuwe cellen. Ook het maximaal aantal delingen is in het programma van de delende cel vastgelegd. Dit vernieuwen van cellen door deling kan snel gaan, indien de behoefte aan nieuwe cellen erg hoog ligt. Dit is bijvoorbeeld aan de orde in ons darmstelsel, waar om de paar dagen de hele binnenbekleding wordt vervangen. Ze is erg aan slijtage onderhevig. De huid doet iets langer met de toplaag, hoewel de cellen na hun actieve leven nog een restfunctie overhouden. Na de celdood wordt de cel als ‘hoorn’ een onderdeel van de hoornlaag op onze huid (ook haren en nagels). Deze hoorn geeft bescherming tegen weer en wind, zon en enge stoffen die ons teisteren. Ook deze laag slijt, denk maar aan vervellen.

 Is de limitering van het leven in de vorm van de beperkingen die de cel zich oplegt, een doel op zich, of is er op de rit een foutje in het systeem geslopen. Kijken we misschien naar de schaduwzijde van een (r)evolutionair geheel wat nog in opbouw is? De constatering dat we als ‘ontwikkelde’ westerse mens steeds ouder worden, zo ook onze huisdieren, is niet te danken aan een verandering van de maximale diensten van onze cellen. De delingsbeperking is niet veranderd, wel de omstandigheden waardoor we ons levenspad idealiseren en proberen vrij te houden van sterfteminnende aandoeningen en slijtageslagen. Vooral de laatste eeuw zijn we door goede voeding, hygiëne en medische zorg, er redelijk in geslaagd om de rek te testen die onze maximaal bereikbare leeftijd bezit. Het recht om te leven verbindt zich zo automatisch ook aan het recht om gezond oud te worden.

 Veel cellen en weefsels in ons lichaam zijn inmiddels zo gespecialiseerd, dat ze niet meer kunnen delen. Ze worden na verval niet meer vervangen. Zenuwcellen zijn daar het beste voorbeeld van. De hersenen krimpen en bevatten steeds meer ‘vulweefsel’ naarmate we in leeftijd voortschrijden. Wel nemen resterende groepen van zenuwcellen, kleiner wordend in aantal, deels elkaars functies over, zodat vorderende leeftijd niet gelijk onze wijsheid aantast. Wij worden niet per definitie ouder dom. Maar helaas, ook daar sluit het net zich eens…

Het lichaam vereist voldoende cellen om te functioneren. Eens deze hoeveelheid op een natuurlijke manier onder het minimale aantal, dat met het leven verenigbaar is, raakt, dan sterft het individu van ouderdom.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
8 juni 2010




PEESBLESSURE

 
 Wel tijdens het late avondspreekuur, maar met een spoedgevoel, laat ik een Dobermann binnen in de spreekkamer. Ze hadden de hond telefonisch al aangekondigd. Op handen gedragen en vooral met veel bloed. Omdat de eigenaars de wond op de achterpoot al wel hadden verbonden, was gelukkig het actieve leeglopen vakkundige een halt toegeroepen. En toch zag het er allemaal niet helemaal normaal uit.

 Thuis: een schreeuw en een rood spoor. Verder geen duidelijkheid omtrent de oorzaak, waardoor de wond in de achterpoot te verklaren viel. Gewoon in huis. Ergens klem onder gezeten? We weten het niet. Wel opvallend voor een perfect rechte snede, beginnend vlak boven de hiel en kaarsrecht doorlopend naar boven. Normaal zou ik voor het uitduiden van deze plaats gezegd hebben, dat de snede, die onder het verband vandaan kwam, precies over de achillespees zou lopen, ware het niet dat die niet meer op zijn normale plek zat. De pees was blijkbaar doorgesneden, want we vonden hem opgetrokken terug, bungelend aan zijn kuitspier onder de knie.

 Wel apart, zo’n dwarse afscheuring van de pees bij een overlangse wond! Bij een chirurgische ingreep zou het bij wijze van spreken nog lastig zijn. Behalve de forse bloeding die wel weer te stelpen viel, zaten we met een ondervoet (vanaf de enkel naar beneden) die enkel en alleen door het dier te buigen viel. Aangezien de strekfunctie, nodig bij het staan, op deze manier was komen te vervallen. ‘Mooi’ klusje voor de volgende dag.

 Sneller dan je altijd denkt is het alweer de volgende dag, als we onder diepe sedatie (narcose) de hiel weer aan de achillespees gaan hechten. Behalve het deel aan de kuitspier, vinden we nog een stukje van ongeveer twee centimeter aan  het hielbeen. Beide stukken hechten we aan elkaar met een sterke draad die niet snel oplost. Dit omdat een pees niet gemakkelijk heelt, aangezien het een stuk bindweefsel is met nauwelijks bloedvaten in zich. Die bloedvaten heb je nodig om te zorgen voor de aanbreng van voedingsstoffen en voor de afvoer van de ‘brokstukjes’ die na de ramp vrijkomen. De natuur bedacht terecht dat bloedvaten in een kabel de structuur verzwakken. Nog los van het feit dat bij aanspannen van een spier, niemand blij wordt als het ‘ankertouw’ dat daardoor op spanning komt, de er in aanwezige gevoelige vaten samenknijpt. Dat is een pijnlijke aangelegenheid.

 De opbouw van een pees maakt het hechten ervan tot een uitdaging, waarvoor een speciaal ontwikkelde hechttechniek vereist is. De peesbundel bestaat uit heel veel parallelliggende vezels (draadjes) met een zeer degelijke trekkracht in de lengterichting ervan. Echter overlangs splijt het, zoals hout dat doet, bij het inslaan van een spijker.

 Al met al geen leuke aandoening. Voorlopig mag er geen spanning op de pees staan, wat we voorkomen door weken lang een spalk in het beschermende verband mee te tapen. Buigen is er even niet meer bij. Het is strekken of barsten…
 
 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
 1 juni 2010




(S)PECH(T)

 
In de reusachtige Abeel (Zilverpopulier, uit de Wilgenfamilie) die de tuin bij het huisje van mijn moeder in Drenthe (ont)siert (ik vind hem in een bostuin ietwat misplaatst), broedt een spreeuwenstelletje. Toch is dat in dit geval iets aparter dan u denkt. Ze wonen antikraak zal ik maar zeggen. Het nest in de boom is uitgehakt door een spechtenechtpaar, dat er vorig jaar haar kroost in grootbracht.

Alleraardigst om van nabij mee te maken, zeker omdat het niet een alledaagse aanblik is om deze kleurrijke spechten af en aan te zien vliegen met lekkernijen. Ze hadden het er druk mee. Helaas. Of ze dit jaar een ander plekje zochten of doodgewoon hun nest bezet vonden door deze kleinere uitvoering weet ik niet, maar ik vermoed het laatste. Pech voor hen en pech voor ons. Spreeuwen zijn weliswaar heel mooi om te zien, ook kleurrijk voor de goede kijker. Ondanks hun fenomenale repertoire op het gebied van zang en imitatie …. het blijft een tegenvaller.

Achter grenst zowel de Abeel alsook het huisje aan een zandpad. Het loopt regelrecht een natuurgebied in, maar aan de overkant ligt akkerland. Vroeger hebben er koeien in een weide gelopen, maar de veehouder is hier overgestapt op akkerbouw. Een deel van de gronden zijn enkele jaren geleden opgekocht voor natuurontwikkelingsprojecten door stichting Het Drentse Landschap. Deze stukken zijn inmiddels overgelaten aan de natuur. Er lopen zogenaamde grote grazers in, in dit geval Schotse Hooglanders. Je kunt je afvragen of die, net zoals de Abeel (komt oorspronkelijk uit Midden- en Zuid-Europa en West-Azië), wel thuishoren in een Drents bos. Het is de bekende discussie hoe om te gaan met stukjes Nederlandse natuur, waarbij het vrij houden van opschietende bomen door dit soort runderen een vereiste schijnt te zijn. Ik zie veel liever een kudde reeën in een bos, maar wie ben ik...

Het deel van de akker waarop wij nu uitkijken, wordt wisselend gebruikt voor de teelt van voeder- of suikerbieten, aardappels of…. maïs. Dit jaar is het weer eens de beurt aan de maïs. Mijn moeder vindt dat altijd jammer. Het uitzicht op het bos dat in de verte ligt, wordt er door belemmerd. ‘Het is maar voor een paar maanden’ probeert de vriendelijke akkerbouwer, in een poging om mijn moeder gerust te stellen. Maar ondertussen is dat uiteraard wèl de periode dat je wat aan het uitzicht hebt, omdat je in de winter mééstal niet zo nodig buiten hoeft te zitten…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
25 mei 2010




POLITIEK
 
 
 Het woord politiek is afgeleid van het Oudgriekse ‘Politeia’ en dit betekent onder andere ‘burgersamenleving’. De politiek zorgt er dus voor dat de burger samenleeft. Heeft staatsecretaris De Vries helaas iets te letterlijk genomen.

Niet slim in zijn functie, hoewel ik besef dat zijn ‘burgersamenleving’ al volop gaande was, voordat het kabinet viel en hij als ‘spindoctor’ (adviseur) voor het CDA de recentelijke verkiezingstijd aanging. Openlijke bekendheid van de vrijage was blijkbaar geen optie als je staat voor normen, waarden en vooral het gezin als hoeksteen van de samenleving voor ogen hebt. Tijdelijk de tweede relatie in de ‘vriezer’ was misschien een ‘goede’ optie, tot de verkiezingsbui weer overgewaaid zou zijn, maar dat was blijkbaar te moeilijk om op te brengen. De relatie was uiteraard al lang bekend bij veel insiders. Het telefoontje naar de media werd gegeven in het heetst van de verkiezingsstrijd. Wat je ook mag denken van de buitenechtelijke relatie van de staatssecretaris, ik besef me terdege geregeerd te worden door mensen en achterbannen die zich verlagen tot dit soort walgelijke ‘spelletjes’. Dit alles in de strijd om de gunst van de kiezer. Nou, lèkker!

Het is natuurlijk sowieso heel apart, dat na het kiezen van partijpersonen tijdens een verkiezingsmoment, je als burger verder weer een tijdje je mond moet houden. Partijprogramma’s waar je op hebt gestemd, worden vrolijk veranderd en iedereen kan min of meer doen en laten wat hij wil. Af en toe wat ‘brood (tegen de honger) en spelen (tegen de verveling) voor het volk’, zoals Caesar destijds in het oude Rome al wijselijk bedacht voor de afleiding van de dingen waar het werkelijk om gaat en je kunt je macht naar hartenlust botvieren.

 Democratie (‘dèmos’: ‘volk’ en ‘krateo’: ‘regeren’): Je schrijft een prijsvraag uit voor het bedenken van de naam voor de nieuw te vormen gemeente na de samensmelting van Wieringen, Wieringermeer, Anna Paulowna en Niedorp, negeert vervolgens een meerderheidsbedenksel, en doet gewoon je eigen zin. Iedereen tevreden, want de inspraak heeft plaatsgevonden.

‘Hollands Kroon….’. ‘Wat een dunk niet?’, zal straks iedereen buiten onze gemeente roepen. Wieringer Nogmeer was leuker... Of Nieuwe Nietmeerdorp… Vierringen… Of Sumeria, ter ere van Sumera (van X-factor) die ook volledig ‘democratisch’ werd afgeserveerd, ondanks het ‘luttele’ feit dat ze veruit het beste zangtype van het hele stel is. Toch?

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
18 mei ’10




VROEGELING

 
 Zit ik op mijn knieën. Op het terras. Heb je alles gehad, moeten de voegjes tussen de stenen nog vrij van onkruid gemaakt worden. Spuiten kan ook. Ik vind het niet alles. Nog los van de milieubelasting, zit je, als je er wat laat mee bent, de hele tijd te kijken naar de afgestorven bruine ‘lijkjes’. Een uitzondering, moet ik bekennen, maak ik wel voor de zogenaamde wortelonkruiden met de ondergrondse woekerende uitlopers. Zoals het bekende Kweekgras. Muurvast en in een ommezien heeft het zich weer in ere hersteld. Maar al het overige: Als je vroeg begint met plukken en af en toe wat doet, houd je het redelijk bij….

Best een interessant deel van de tuin. Veel leuke wilde planten zoeken hun heil in de concurrentiearme minituinstrookjes. Vaak zijn het juist de exemplaren waar je zo je best voor doet om ze in je border in stand te houden. Ze welen tierig in de voegen van je straatje. Onhebbelijk soms. Ik heb ze er wel eens tussen vandaan gepeuterd, om de soort opnieuw in de border te herintroduceren. Ze hebben blijkbaar liever het voedingsarme zand onder het terras, om hun voeten in te zetten, ondanks het feit dat de weg er naartoe wel een uitdaging is! Maar behalve de leuke ontdekkingen, stuit je toch meestal wel op het bekende allegaartje.

Allereerst de Madeliefjes, Paardenbloemen en het bekende Straatgras, wat niet voor niets zo heet. Het bloeit en zaait heel snel. Voor je er erg in hebt, heb je er een grasmat bij! Wel gemakkelijk te verwijderen. Net zoals de Kleine Veldkers (Cardamine hirsuta). Die maakt er echt een sport van om zo snel mogelijk bezit te nemen van de steenvlakte. Het prachtige klein bloeiende plantje bloeit net zoals zijn grote broer de Pinksterbloem (Cardamine pratensis), al vroeg in het voorjaar. Als je hem niet op tijd bespeurt, schiet hij in deze tijd je hele tuin vol met zaadjes. Nu maar even niet, hoewel het een alleraardigst ding is om naar te kijken. Het is bijna verleidelijk om er ééntje te laten staan… Onzin natuurlijk. De allerlaatste vind je toch niet, anders was de Kleine Veldkers allang uit mijn tuin verdwenen.

Ook een schatje, je zou hem eigenlijk moeten laten staan: de Vroegeling (Erophila verna). Onopvallend en bijzonder door de snelle cyclus. Je ziet hem alleen in de winter en het voorjaar. Een zaadje vormt een rozetje met blaadjes. Al snel een stengeltje dat opschiet uit het hart ervan, witte bloempjes en weer zaadjes. En dat allemaal in enkele maanden. Dan is ‘ie weer van de aardbodem verdwenen. Ik laat ze voortaan inderdaad maar staan. Tegen de tijd dat de Vroegeling alweer vertrekt, zijn wij aan de beurt om op het terras te zitten.

En dan te bedenken dat we bijna altijd in het meestal kleurrijke ‘groene’ gras zitten. Met ook heel veel bloeiende ‘gasten’ overigens.

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
11 mei 2010



(BE)SCHA(DI)GEN

 
De Noord-Hollandse soap rond de kievitsbloemetjes in Schagen had twee weken geleden een vervolg. Vorig jaar werd gewag gemaakt van een noodlottige beslissing door de gemeentelijke dienst. Er was grond gestort in een gebiedje waar nu uitgerekend de zeldzame en bovendien beschermde kievitsbloem (Fritillaria meleagris) groeit en bloeit. Het uiterst leuke maar kwetsbare bolgewasje, dat zijn naam dankt aan de stippeltjes op de relatief grote bloem die te vergelijken zijn met de stippeltjes op het ei van de kievit, kan niet tegen een stootje. Het groeit en verspreid  zich (zaden) graag in gebieden waar het met regelmaat vochtig is, zoals wat lager gelegen weilanden en langs natuurlijke oevers. Vochtige verlaten hoekjes met wat arme grond in een parkje kan blijkbaar ook, maar dan moet je er geen grond over gooien. Zeker geen bergen.
 Na de klachtenstroom en alle aandacht in de media, zag de gemeente Schagen haar fout in of wilde van het gezeik af zijn. Hoe dan ook, de grondhoop werd weer verwijderd en het wachten was op de schade die het zou opleveren. Of niet. Gelukkig las ik ook deze keer de goede afloop van het relaas. ‘Ze doen het er weer.’ Hoewel het me niet zou verbazen als ‘iemand’ ze er weer heeft aangeplant, ze zijn in het najaar bij ieder tuincentrum volop te koop. Zowel de natuurlijke variant met spikkels, alsook de volledig witte bloeiwijze. Deze is op natuurlijke wijze ooit opgedoken en niet zoals bij veel planten, gekweekt.
 De kolonie ‘kievieten’ die hier in de achtertuin nu hartstochtelijk bloeit, dankt zijn oorsprong aan zo’n tuincentrumaankoop vijftien jaar geleden. En aan de vochtige grond rond de vijvers. Elk jaar verzamel ik wat zaad en strooi het  weer uit op een plekje waarvan ik denk dat ze het wel naar de zin zullen hebben. Als ik ongelijk heb, zie je er niets van terug. Is mijn zienswijze juist, dan moet je niet gek opkijken als er pas een jaar of vier later voor het eerst wat bloeit. Ze nemen hun tijd.
 In de loop van anderhalf decennium duiken ze nu in de leukste hoekjes van de tuin op. Lang niet altijd op vochtige of arme grond. Blijkbaar weten ze zelf het beste wat goed voor ze is. Net zoals de leliehaantjes (kevertjes) die er dol op zijn. Want inderdaad, ook de kievitsbloempjes behoren tot de lelieachtigen. Het fel oranje haantje is de voorste als het gaat om met uiterste precisie de bloemsteeltjes door te knagen. Weg bloem. Geen zaad voor bloei over vier jaar. Het is bij bolgewasjes juist zo leuk, dat ze ook met zaad te verspreiden zijn naar andere uithoeken van de tuin. Mieren zijn daar overigens meesters in. Uiteraard voor voedselopslag, de zaden zitten vaak barstensvol voedsel. Voor een vlotte kieming en de erop volgende bolvorming. Maar ook als lokkertje voor in dit geval de mieren. In de hoop dat ze een paar in hun bolwerk opgeslagen zaden vergeten op te eten.

 Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
 4 mei 2010




‘PINK’


Niet dat we als dierenartsen niets te doen hadden. Meestal is het zelfs zo dat mensen die veel werken er een dusdanige structuur en mentaliteit op na houden, dat er altijd nog wel een gaatje over is om iets anders in te passen. Dat moet Janneke zo gedacht hebben. Janneke is onze vrouwelijke collega die haar werkterrein bij de veehouders heeft liggen. Ze dacht nog meer. ‘Die vrouwen van al die veehouders zien elkaar haast nooit. Ik organiseer voor die hele groep een lady’s night.’ En zo geschiedde.

Janneke zou Janneke niet zijn als ze daar niet wat extra ‘kleur’ aan zou geven en dus bedacht ze de avond op te dragen aan de organisatie ‘Pink Ribbon’. Pink Ribbon (het ‘roze lint’) is een internationaal symbool dat door organisaties en personen gebruikt wordt om de betrokkenheid bij borstkanker uit te drukken. Het doel van Pink Ribbon is mensen bewust te maken van het probleem borstkanker. Te denken valt aan: voorkomen, opsporing, genezing, nazorg, hulpverlening en eventuele borstreconstructie.

Het werd een gezellige vrouwenavond in een royaal van roze linten voorziene ruimte, waar ook de assistentes en dierenartsvrouwen welkom waren. Met als subdoel het inzamelen van wat financiële armslag voor de eerder genoemde organisatie. Onder het mom van ‘voor niets gaat alleen de zon op’, vond er een heuse veiling plaats. Iedereen kon bieden op de zeven mannen van de dierenartspraktijk. We waren vertegenwoordigd door een headshot (kop op foto), want lijfelijk heb je als man niets te zoeken op een vrouwenavond. Janneke had ons er toe verleid om zelf iets te bedenken als te veilen activiteit. Zoals het wassen van een aantal auto’s, ponypedicure, een zeiltochtje voor meerdere personen, een men- of koetsrit, het organiseren van een barbecue of een middag naar de bioscoop voor kinderen. Opdat moeders ook eens vrij zijn.

Afgelopen donderdagmiddag mocht ik mìjn schuld inlossen. Ik sta bekend als tuinierder en stond zodoende te huur voor snoeien, maaien, spitten of schoffelen. Deze activiteit werd ‘binnengehaald’ door de vriendelijke bewoners van een grote melkveehouderij op het voor mij vertrouwde Wieringen (het had ook iemand in de buurt van bijvoorbeeld Alkmaar kunnen zijn…). De vrouw had zichzelf en haar man ook vrijgepland voor deze middag en na een ouderwets gezellig kopje thee zijn we fanatiek aan de slag gegaan. De ‘voorjaarsschoonmaak’ in de zonovergoten boerderijtuin realiseerde gaandeweg een ware lust voor het oog…

Dierenarts Janneke (nu even in functie van opzichter) kwam ook nog even langs met Conny (praktijkmanagement) voor een dorstlessende ‘break’. En uiteraard ter controle van onze schepping! Ze zag dat het goed was…

Jan Anne Schoonhoven, dierenarts
27 april 2010